Op de verklaring van een warmtenet staat soms een onderscheid tussen een primair en een secundair net. Van welke van die twee ga je dan uit voor het overnemen van de rendementswaarden? Die vraag krijgen we regelmatig. Het antwoord staat in de KEGO FAQ, onder referentie 82.1/75.1 (basis en detail).
Primaire en secundaire netten zie je vooral bij stadsverwarming die van oorsprong haar warmte kreeg uit een elektriciteitscentrale of een afvalverbrandingsinstallatie. Daar komt warmte van meer dan 100 °C uit de centrale.
Omdat je in woningen geen water van boven de 100 °C wilt hebben, staan er onderstations tussen. Daar draagt een warmtewisselaar de warmte over van het primaire net (meer dan 100 °C) aan het secundaire net, dat in de winter maximaal 90 °C levert.
Bij veel kleinschaligere warmtenetten en bij netten op lage temperatuur bestaat dat onderscheid helemaal niet. Dan is het hele warmtenet het primaire net.
Primaire warmtenetten leveren over het algemeen warmte op een temperatuur boven de 100 °C. Die warmte is meestal bedoeld voor industriële activiteiten, en mogelijk voor grote utiliteit.
Voor gebouwverwarming ga je daarom in principe uit van aansluiting op het secundaire warmtenet. Alleen als het gebouw aantoonbaar is aangesloten op het primaire net, neem je de waarden van dat primaire net over.
Is uit de verklaring niet op te maken op welk net het gebouw is aangesloten? Neem dan contact op met de warmteleverancier. Zo voorkom je dat je met de verkeerde rendementswaarden rekent en de energieprestatie van het gebouw onjuist vaststelt.
Situaties als deze komen uitgebreid aan bod in de opleidingen van Kader Academy. In de EP-D adviseur opleiding werk je met de detailmethodiek volgens de NTA 8800, inclusief de praktijkvragen die je in het veld tegenkomt.
Bron: KEGO FAQ, referentie 82.1/75.1 (basis en detail).