Veel woningen scoren lager op het energielabel door verouderde opnames en ontbrekend bewijs. Wat betekent dit voor EP-adviseurs en hun dagelijkse praktijk?
Volgens recente analyses van makelaarsvereniging NVM en onderzoeksbureau Brainbay zijn veel Nederlandse woningen duurzamer dan hun officiële energielabel laat zien. Niet omdat de labels fout zijn vastgesteld, maar omdat ze in veel gevallen verouderd of onvolledig onderbouwd zijn. Voor EP-adviseurs raakt dit direct aan de dagelijkse praktijk van labelopnames, bewijsvoering en verwachtingsmanagement.
In de officiële registraties heeft de gemiddelde Nederlandse koopwoning energielabel C. Op basis van modelmatige herberekeningen schat de NVM echter dat het werkelijke gemiddelde inmiddels richting label B gaat. De belangrijkste verklaring:
slechts circa 16 procent van de koopwoningen beschikt over een recent, door een adviseur opgenomen energielabel.
Voor het overgrote deel van de woningvoorraad geldt dat het label:
Dat is verklaarbaar. Energielabels worden vooral aangevraagd bij verkoop of verhuur. Juist ná een aankoop wordt vaak geïsoleerd, glas vervangen of installaties verbeterd. Die verduurzaming vertaalt zich lang niet altijd in een nieuw label.
Belangrijk detail: de NVM stelt niet dat labels “structureel te laag” zijn vastgesteld door EP-adviseurs. In het onderzoek is gebruikgemaakt van een academisch gevalideerd rekenmodel dat op basis van bouwjaar, woningtype en bekende renovatiepatronen inschat wat de isolatiekwaliteit waarschijnlijk is. Een aanpak die in commercieel vastgoed al langer wordt toegepast.
Dat onderstreept vooral één punt: het ontbreken van actuele opnames vertekent het landelijke beeld.
Tegelijkertijd zien EP-adviseurs in de praktijk een ander mechanisme dat kan leiden tot een lager label dan verwacht: bewijsvoering.
Veel huiseigenaren weten niet:
Onderzoek van Vereniging Eigen Huis laat zien dat voor een grote groep woningeigenaren onduidelijk is welk bewijsmateriaal vereist is bij een labelaanvraag. Dat kan ertoe leiden dat maatregelen niet mogen worden opgenomen, ook al zijn ze feitelijk aanwezig.
Voor EP-adviseurs is dit geen keuze, maar een methodische randvoorwaarde. Zonder bewijs geen invoer, en zonder invoer geen effect op het label. Dat is geen ontzegging van een “rechtmatig label”, maar een gevolg van een systeem dat sterk leunt op verifieerbaarheid.
Een extra complicerende factor is dat bewijslast nu vaak niet structureel aan de woning is gekoppeld, maar aan degene die het label aanvraagt. Als eerdere bewoners maatregelen hebben uitgevoerd zonder overdracht van documentatie, ontstaat een gat dat bij een nieuwe opname niet meer te dichten is.
Dit verklaart waarom sommige woningen, ondanks zichtbare verduurzaming, lager uitkomen dan verwacht – en waarom EP-adviseurs regelmatig moeten uitleggen waarom iets niet mag worden meegenomen.
De impact van dit alles groeit. Energielabels spelen inmiddels een rol bij:
Een actueel en correct vastgesteld label is dus meer dan een administratieve verplichting; het is een marktinstrument geworden.