De Europese Richtlijn Energieprestatie Gebouwen (EPBD IV) moet ervoor zorgen dat gebouwen minder energie gebruiken en milieuvriendelijker worden. Daarvoor is inzicht nodig in hoeveel energie het kost om elektriciteit op te wekken. Dat gebeurt niet altijd even efficiënt. Het CBS ontwikkelde een methode die dit nauwkeuriger berekent en onderscheid maakt tussen hernieuwbare bronnen (wind en zon) en fossiele brandstoffen (gas en kolen).
Hoewel lidstaten vrijheid hebben in de berekening van primaire energiefactoren, zorgt de nieuwe methode voor meer uniformiteit en aansluiting bij internationale afspraken.
De methode kijkt naar hoeveel energie er in totaal nodig is om elektriciteit te maken en vergelijkt dit met de hoeveelheid elektriciteit die uiteindelijk bij de gebruiker aankomt. Hierbij wordt ook meegenomen hoeveel energie verloren gaat tijdens productie en transport. Uit de cijfers blijkt dat het aandeel hernieuwbare energie sterk is gegroeid, en dat de efficiëntie van elektriciteitsproductie in Nederland is verbeterd.
De primaire energiefactor, een getal dat aangeeft hoeveel energie er nodig is per eenheid gebruikte elektriciteit, is daardoor in de loop van de tijd gedaald. Dit betekent dat elektriciteit steeds ‘groener’ en efficiënter wordt opgewekt. Deze nieuwe berekening helpt om de energiedoelen van de EPDB beter te volgen en te realiseren. De primaire energiefactor is vooral belangrijk voor beleidsmakers om inzicht te krijgen in de werkelijke energie-inzet en milieubelasting van elektriciteitsgebruik. Voor jouw energierekening telt alleen het verbruik in kWh en de prijs per kWh. De primaire energiefactor daalt omdat er meer duurzame grondstoffen gebruikt worden om elektriciteit te maken en er daardoor minder energie nodig is om elektriciteit te produceren. Bijvoorbeeld: bij een primaire energiefactor van 2,5 betekent 1 kWh elektriciteit dat er 2,5 kWh aan primaire energie is gebruikt bij de opwekking en levering.
Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) gaf CBS de opdracht een methode te ontwikkelen voor het berekenen van primaire energiefactoren voor elektriciteit, geschikt voor de Europese Richtlijn Energieprestatie Gebouwen (EPDB). Ook het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) moet deze methode kunnen gebruiken voor toekomstige berekeningen.